Denk aan het opschrijven van: alle stappen, de gebruikte formules, alle berekeningen en de juiste eenheden. (zie: werken met formules)

1. Teken de drie krachten die op een vlieger werken als hij aan een touw in de lucht vliegt.

2.
a. Hoe zwaar ben jij?
b. Hoe groot is de zwaartekracht waarmee de aarde aan jou trekt?

3. Bereken de zwaartekracht op een voorwerp van 83 g.

4. De zwaartekracht die wordt uitgeoefend op een boekenkast gevuld met boeken is 6250 N. Bereken de massa van de boekenkast met boeken.

5. Ikeaatje duwt tegen een kast, met een kracht van 520 N. Ikeaatje is 170 cm lang. De wrijvingskracht die de vloer op de kast uitoefent is 170 N.
a. Teken een rechthoekige kast en geef met pijlen aan waar de krachten worden uitgeoefend.
b. Wat is de resulterende kracht?
c. Wat zal er met de kast gebeuren?

6. Een turner van 16 jaar en 42 kg hangt aan recht aan zijn armen aan de ringen.
Hoe groot is de spankracht in elk van de touwen wanneer de turner stil hangt?